Herinneringen


HERHALING VAN DE GESCHIEDENIS.
Vandaag kwam het vluchtelingenprobleem ter sprake. Ik herinner me nog heel goed dat ik zelf ook vluchteling ben geweest.
Ik was toen 15 jaar en beleefde alles als een groot avontuur. Toen we op 27 november 1944 door de Engelsen bevrijd waren duurde het maar een paar dagen tot we werden gedwongen uit Lottum te vertrekken.
Het zou te gevaarlijk worden omdat de Maas de frontlijn zou worden. Het advies was om etenswaren, kleren en beddengoed mee te nemen. Alles wat niet mee kon in 1 kamer opbergen en die afsluiten.
In de eierveiling -die was nog warm van de ingekwartierde Duitse veldkeuken- hadden zich al Tommies genesteld. Onze Sjaak kende Engels en hij vroeg aan een van hen wat we het beste konden doen.
Die zei: “Wat je niet kwijt wil moet je meenemen. Sluit geen kamer af want dan vind je een kapotte deur terug; wij zullen hier niks kapot maken maar er zijn er bij ons die alles kunnen gebruiken en er in handelen.
Een afgesloten ruimte is voor hen als honing voor een beer.”  Dus werden dingen die niet mee konden op de pony-huifkar  zoals de radio in het onderduikhol onder de kippenkooi in de tuin gestopt.
Het huis in de hei waar onze Mien met haar  gezin woonde lag ver genoeg van de Maas af, die hoefden niet weg. Wij moesten door naar Melderslo en werden opgevangen door Toon “van de Köster” Allaerds en zijn Lies, een jong gezin met 2 kinderen. We waren met 7 personen: Vader, Moeder, Sjaak, Jan, Henk, de nichtjes Grada  en Bertha van Leuven uit Echt. Er werd 1 kamer vrijgemaakt en daar lagen we met zijn zevenen op een rij.
Toen ik ’s morgens wakker werd was het heel licht. Het had gesneeuwd. Ik realiseerde me dat het 1 december was, dus helemaal niet vreemd voor de tijd van het jaar.  Daar sloot ik vriendschap met Dré, de jongste broer van onze gastheer, die een huis verder, bij zijn ouders, woonde.  Daar hadden ze ook een stal waar onze pony onderdak kreeg. Het was heel gewoon dat iedereen iedereen hielp. Omdat we een pasgeslacht varken in de kuip hadden meegebracht en een paar zakken met erwten en soepbonen was het eten voorlopig geen probleem. Ons moeder was aanpakken gewend en poetste, kookte, waste en streek of het haar eigen gezin was. Brandhout was er te weinig, dus werd gestolen wat kon: boomstammen die hadden gediend voor afdekking van schuilkelders, dennenbomen in een bos waarvan de eigenaar “enne Pruus” was werden geka(a)pt.  We hebben daar enkele maanden geleefd tot in februari het bevel kwam dat de vluchtelingen verder van het front moesten worden weggebracht.  In de tijd daarvoor had ons vader de familie van onze onderwijzer Jan van den Boom met de pony-huifkar naar zijn familie in het bevrijde Weert gebracht. Hij nam de meisjes van oom Sjang van Leuven gelijk mee. Echt was ook bevrijd en Weert lag toch in de zelfde richting, even doorlopen dus….. Onze Sjaak had werk gevonden bij de distributiedienst in Horst, die moest blijven. Wij waren dus met z’n vieren toen we de Engelse truck op moesten klimmen die ons naar Eindhoven bracht. Onze gastvrouw Lies vond het maar niks dat we weg moesten. “Nu wordt ik mijn dienstmeid kwijt” treurde ze. In een grote loods van Philips lagen lange rijen matrassen met dekens. Iedereen werd ontsmet: met een verstuiver werd DDT-poeder op je huid in de kleren geblazen. In je broekspijpen, je mouwen,  onder de kraag. Alles was wit van het stof.  Lekker was het niet maar we waren wel verlost van luizen en vlooien. Na een of twee nachten werden we met vrachtwagens naar een station gebracht waar we in een trein richting België werden gestouwd. Na een lange reis -het was inmiddels  avond- waren we bij de Franse grens, in Ath. Daar kregen we te eten en konden slapen in een schoolgebouw. Een verhaal daarover heb ik al eerder geschreven bij de uitspraken van de Lottumse Coenders (Clever) Leen. De volgende dag moesten we weer de trein in. Men had blijkbaar ontdekt dat men ons moeilijk in Franstalig België kon droppen. Dus ging het noordwaarts naar Oost-Vlaanderen. In de dorpen tussen Ninove en Aalst werden we door de bevolking opgenomen. Eerst was men huiverig want de mensen daar meenden dat we weggevoerd waren omdat we Duitsgezind waren en de bevrijders tegenwerkten.  Toen men hoorde dat daar niets van waar was verliep het vrij soepel. Wij werden met z’n vieren in Haaltert afgezet in café annex tankstation Baal en opgenomen door de overburen zus en broer Marieke en Oscar Bertrand. Die hadden twee slaapkamers vrij en in de achterbouw een soort tuinhuisje waar een plattehuis-kachel stond. Dat werd ons verblijf tot we in april 1945 de kans kregen om met enkele anderen terug te gaan naar Lottum.
Ook daar waren net als nu mensen die niets met vluchtelingen te maken wilden hebben. Ik weet nog dat er voor de vluchtelingen een avond met zang en toneel was georganiseerd. Er was een man die bij zijn gitaar zelfgemaakte liedjes zong. Een stukje tekst is me bijgebleven.   ”  ….. in ’n schoon huis met wel drie deuren, en vijf vensters nog erbij,  was geen plaatske te bespeuren, voor ‘ne vluchteling of dreij ….. ‘
Blijkbaar wisten de Haalterse mensen wie bedoeld werd want vanuit de zaal klonk foei en boe geroep.
Voor de huidige vluchtelingenstroom ziet het er niet naar uit dat deze mensen na enkele maanden weer terug kan. Gelukkig beseffen de mensen hier dat er hulp geboden moet worden. En als men wil kan het ook.

LOSSE GEDACHTEN
Terwijl de mondhygiëniste mijn gebit onderhanden had viel me in dat mijn moeder op 65-jarige leeftijd al een kunstgebit had. Het was in haar tijd nog helemaal niet gewoon dat je gebit onderhouden werd. Er werd door de ‘gewone man’ helemaal niets aan gedaan, poetsen was iets onbekends. Niemand vond zo’n mond vreemd.
???????????????????????????????????????????????????????????????????????????????????Als een tand/kies aangetast was waren er huismiddeltjes tegen de pijn. Spoelen met kamillethee, of een extra pruim tabak, of een kruidnagel. Ik heb gehoord dat Piete Fien tegen haar man Jacob zei als die een rotte kies had: “Je moet maar peperkoek kauwen, pijn moet met pijn weg”. Daarover zei Hoete Jan: “Onze Lieve Heer heeft veel geleden, maar Piete Jacob veel meer” Als de pijn niet meer te harden was werd de tand/kies getrokken. Als er een tandarts bereikbaar was werd daar naar toe gegaan; er zijn ook heel wKunstgebit2at tanden thuis met slecht gereedschap zelf getrokken. Mijn vader heeft het eens gedaan door een touwtje om de zere kies te binden en het andere eind aan de deurklink, en dan de deur hard dichtgooien. Dat ging echt niet de eerste keer goed. In die tijd (de veertiger jaren) waren mensen met een kunstgebit een zeldzaamheid. Ik weet nog dat er een man bij ons op bezoek is geweest uit Oirlo, het was een neef van moeder. Hij merkte op dat moeder ‘valse tanden’ had. Hij zelf vond dat niet nodig, tanden waren om te eten, hij zei: “Ik kan ’t nog goed kort”. Daar snapte ik helemaal niks van, als hij zijn mond openmaakte zag je alleen één grote bruingroene voortand. Toen ik in mijn jonge  jaren eens met een ontstoken kies bij tandarts Kreutzer kwam wilde de tandarts die niet trekken. Hij zei: “met de verdovingsinjectie spuit ik het pus in je bloed” waarop ik zei “vroeg ik om verdoving?” waarop hij hem er meteen uittrok. De pijn werd er niet erger door. Een andere keer brak de tang waarmee hij de kies wilde trekken. Hij zei: “Je wordt me nog te duur aan de tangen!”

Onze va heeft bij de gebroeders Jonkers rond 1900 het rozenoculeren geleerd.
Zij waren een van de eersten die dat van kapelaan Lichteveld hadden geleerd.
Die had die kennis opgestoken toen hij om van een alcoholprobleem af te komen een tijdlang in Frankrijk was geweest. Tenminste dat is wat ik er tot voor kort van af wist. Het blijkt evenwel uit de gegevens die onze Jan over Lottum verzameld heeft dat die kapelaan al 30 jaar dood was voordat er in Lottum rozen werden gekweekt. Hij zal wel kennis van kwekerijtechnieken hebben overgedragen die hij in Frankrijk had opgedaan. Daar was men ons land ver vooruit. In die tijd waren de broers Jonkers bang dat de kunst werd afgekeken; als er iemand langs het veld kwam waar ze bezig waren met oculeren dan stopten ze totdat die voorbij was. Toen onze va voor zichzelf begon noemde hij zich Boom- en Rozenkweker Ger Hendrix en Co.  Zijn compagnon was zijn broer Sjeng. Die had actieve darmen want hij kon scheten laten als de beste. Bij het oculeren was dat niet zo leuk voor degene die als binder achter hem zat. juli 1933 webAls die klaagde “wat stink je weer” zei oom Sjeng “als ik anders ruik ben ik ziek”. Hij heeft het niet zo lang volgehouden als kweker. Hij kreeg een baan als chauffeur – bezorger bij V&D in Venlo. Hij is ook in Venlo getrouwd en er gaan wonen. Op deze foto is va in juli 1933 aan het oculeren op het veld waar nu de woningen staan van Horsterdijk 26 tot de Eikenlaan.  Wim zit achter hem als binder, To zit in de volgende rij met een troffeltje om te ‘dabben’ (de grond rond de rozenstammetjes weghalen) en onze Jan staat even verder bij  heeroom pater van  Leuven. Als die op gezondheidsvakantie was werden er altijd foto’s gemaakt. Deze is verschenen in het boek “In de ban van het sortiment” (2011).

ACHTER OP DE HEI en meer over OPA van LEUVEN
Een herinnering die komt bovendrijven betreft grootvader van Leuven. Mijn ouders hebben eerst gewoond (ingetrouwd bij de ouders van mijn moeder) in de vroegere kapelanie, dat huis stond aan de Hoofdstraat waar nu het bedrijf Thilot zit, tegenover de Rabobank.huis            In 1908 0f 1909 kocht  mijn vader dit huis B151 aan de Horsterdijk van Thei Vermazeren. Die had het voor zich zelf gebouwd. Toen hij er ging wonen bleek dat zijn vrouw (uit Velden) niet kon wennen en is hij in Velden gaan wonen. Deze foto is genomen in 1985 vanuit de tuin van overbuurman Vermazeren. In 1909 was de aanbouw links er nog niet (de eierveiling) en ook geen dakkapel.

Toen mijn ouders uit de oude kapelanie wegtrokken ging grootvader niet mee. Het huis stond niet verder van de kerk dan de oude kapelanie maar de Horsterdijk was toen nog een zandweg met karsporen. Hij moet toen gezegd hebben “ik gôj dao aachter op de hei nie zitten”. Hij heeft toen het huis aan de Markt gekocht waar voorheen de brouwer zat. Naderhand is dat café-zaal geworden. Later, toen grootmoeder van Leuven in 1927 stierf en ook buurvrouw Kaal doodging was er niemand meer die voor hem eten kookte. Toen is hij noodgedwongen bij ons op de Horsterdijk komen wonen. Toen ik geboren werd en HHenri 1929endrikus Johannes werd gedoopt wilden onze ouders mij Hai noemen. Dat vond grootvader niet goed. Een haai zwemt in de zee zei hij, zo noem je toch geen kind. Noem hem dan Henri, dat is een fatsoenlijke naam. Zo heb ik tot op de lagere school Harie geheten.

Grootvader had zijn vaste plaats in de leunstoel in de hoek naast het fornuis in de kleine kamer. Hij had het meestal koud en een hekel aan tocht en openstaande deuren. Hoe vaak hij heeft geroepen “Plaank ien ’t gat”  weet ik niet. Wel dat hij er bij onze Jan nog “stokvis” achteraan riep.
’s Zondags na de hoogmis moest er gepraat en gekaart worden in café d’n Hook, toen nog Flisse Frens (Frans van Dijk) . Hij had daar een vaste maat voor, dat was Flinse (van de Laak) Sef. Een ongetrouwde man die bij zijn broer Flinse Lei inwoonde. De Flinsenberg was het laatste huis van de Broekhuizerweg aan de Maaskant. Met Sef kon grootvader praten over de bijen, ze waren allebei imker, ik weet nog goed dat hij ’s winters bijenkorven maakte van stro.bijenkorf Hij sneed daarvoor in het wild lange takken van braamstruiken, haalde er de doornen af en splitste ze in vieren. Om het stro in gelijkmatige bossen te persen gebruikte hij als buis een stuk varkensbot. De korven waren niet zo mooi als je ze wel eens getekend ziet maar dat vonden de bijen niet erg.
Als hij dan na de zondagochtendborrel naar huis kwam lopen had hij nauwelijks ruimte genoeg aan het zandpaadje. Dan zei mijn moeder: “je hebt ‘m weer behoorlijk geraakt hé”. Zei hij: “ik heb d’r maar vier uut Nella”. Mijn moeder weer: “bij de derde ben je d’n tel kwijtgeraakt zeker”.
Van ’t dorp Lottum had hij geen hoge pet op. ’t Is maar een gat, zei hij, er is geeneens ’n schutterij. Hij was dan ook lid van het schuttersgilde van Geijsteren. Daar stond hij in hoog aanzien. Hij was niet alleen schutterskoning maar zelfs schutterskeizer. De schutterskoning is degene die bij het laatste jaarlijkse schiettournooi de vogel heeft afgeschoten. Dat is een blok hout die ze boven op een hoge paal zetten.
Keizer word je als je dat drie opeenvolgende jaren gelukt is. Dat gebeurt niet zo vaak. Bij het koningszilver bevindt zich een plaquette waarop staat dat hij in 1882, -83 -84 den voogel af schoot en in 1930 45 jaar Keizer was en 58 jaar trouw lid. In Geijsteren is ter ere daarvan in 1929 (mijn geboortejaar) een eikenboom geplant.
DCF 1.0Hij staat daar nog steeds, een bord op zijn stam vermeldt:

Keizersboom
Kon. St.Willibrordusgilde
Geplant op 1 april 1929
door Keizer J.H. van Leuven.

Onlangs vernam ik dat grootvader als militair bij de scherpschutters in dienst was en afgezwaaid is als scherpschutter 1ste klas.

Bij leven was mijn grootvader postbode, eerst in Meerlo, later in Echt. In die regio heette dat niet postbode maar facteur. Alles ging toe nog te voet. Eerst naar Roermond de post ophalen, dan tot en met Echt bezorgen. Als hij onderweg een wilde roos zag onthield hij die plek. Als hij dan ergens in een tuin een tamme roos zag sneed hij er een takje af. Dat nam hij mee en zette een oog op de wilde stam. Die kunst had hij waarschijnlijk al in Meerlo geleerd. Zo bloeiden er in die streek op de raarste plekken tamme rozen.

Mijn vader was Gerard (Sir) Hendrix, beter bekend als Schampieters Sir. Zijn vader en zijn grootvader waren allebei veldwachter, op zijn Frans Champetre, verbasterd tot schampieter. Wij heetten dus  nnn van Schampieters Sir. Hij was een verenigingsman bij uitstek. Hij heeft aan de wieg gestaan van de tuinbouw- en de pluimveehoudersverening, kortweg de groente- en eierveiling genoemd. De eerste activiteiten moeten zijn geweest dat mensen snijbonen bij elkaar brachten in de voortuin van de oude kapelanie waar mijn ouders toen inwoonden bij opa en oma van Leuven en nog enkele ongetrouwde kinderen. Die bonen werden in zakken van 20 kg. afgewogen en werden dan door een zogenaamde voerman met kar en paard naar de veiling in Venlo gebracht. In die tijd werd nog alles in Duits geld verrekend. Nederlands geld was alleen nodig als je postzegels moest kopen of belasting betalen. Hij was ook bij de oprichting van de coöperatie, een kruidenierswinkel van en voor de leden, nauw betrokken. Hij was kweker van beroep: hij teelde fruitbomen en rozen. In 1924 heeft de “Katholieke Illustratie” een foto gepubliceerd van het rozenfeest. Ook daarvoor zette hij zich in.

helemaal links staat Schampietrs Sir

helemaal links staat Schampieters Sir

De eerste Coöperatie-winkel was in een kamer bij kleermaker Sjang van Horck. Hoewel zelfstandig ondernemer voelde hij wel voor het coöperatieve idee. Hij huisvestte niet alleen de coöperatieve winkel maar hij was ook lang secretaris/penningmeester van de groente- en eierveiling. De eieren werden een keer per week door de leden gebracht. Ze werden gesorteerd, gewogen en in kisten gepakt door Toon Hoeijmakers in de overkapte oprit tussen van Horck en buurman café-zaal Gooren. De spullen werden opgeslagen onder de bühne van de zaal. Ergens in de jaren dertig was er onenigheid tussen van Horck en het bestuur, de inpakplaats werd opgezegd en goede raad was duur. Mijn vader heeft toen een ruimte van 10 bij 7 meter laten bouwen tegen de westgevel van zijn huis. Op de foto van het huis Horsterdijk 18 zie je die aanbouw links. Daar moest een kippenhokje en een paar fruitbomen voor wijken. Hiermee was de eierveiling gered. Die ruimte werd al gauw ook gebruikt voor het verzamelen van groenten en fruit maar bleef eierveiling heten.
Mijn vader had een pony, niet zoals tegenwoordig voor de aardigheid, nee, gewoon voor het werk. Hij kon niet alle werk aan, voor het echte ploegwerk moesten mannen met paarden worden ingehuurd. Maar voor het trekken van een schoffelmachine of een eg of een rol was hij niet te goed. De kiepkar die er was had luchtbanden, ik denk de eerste in Lottum die op lucht reed. Na een ongeluk waarbij de houten wielen kapot waren gegaan had smid Jacq Turlings het idee om een achteras van een gesloopte auto er onder te zetten, compleet met een indrukwekkend stel bladveren. Of het door die goede vering is gekomen weet ik niet maar wel dat met die kar boodschappen werden bezorgd bij de leden van de coöperatie. Na de oorlog heb ik dat nog een hele tijd gedaan. De zitplanken er af, 4 ijzeren beugels er op en daar overheen een zeil geknoopt. Een paar dwarsplanken gaven wat extra laadruimte. Aan de haam van de pony werden twee koperen bellen vastgemaakt, je kon ons van verre horen aankomen. Winkelierster Marie Cruysberg had van de levensmiddelen die los werden verkocht (bijna alles) zakken van 1 kilo afgewogen en in kisten en kartonnen dozen gedaan en zo werd de kar geladen. Ook ging er een kan slaolie en een kan petroleum mee. Die werden per liter verkocht. Je moest wel oppassen dat je de maatbekers niet verwisselde. Veel was nog op de bon en van alles was er maar één soort. Iedere woensdag ging dat van de eerste klant op de Opperdonkseweg via de Wielder en Houthuizen langs de spoorlijn naar de Horsterdijk. Vandaar naar de Zandterweg en de Papeling over de Homberg tot de laatste klant in ’t Flis. Frans Basten ging met zijn transportfiets de per fiets bereikbare klanten af. Zo werd de coöperatie een concurrent vooral voor de bakkers/kruideniers Jonkers en Smits.

Toen na de oorlog de aspergeteelt enorm uitbreidde was de eierveiling te krap. loodsGelukkig had mijn vader achter ons huis een open loods laten bouwen voor de opslag van gemaaid graan, dan hoefden er in het veld geen mijten gebouwd te worden en het dorsen kon op 1 plek. Toen werd de loods winddicht gemaakt en was ze klaar om de asperges in te sorteren en veiling-klaar te maken.   In die jaren hielp ik mijn vader met dat veilingwerk en toen hij 65 werd kon ik de baan overnemen. Vanaf toen ben ik Henk van de Veiling gaan heten.

DE SCHOOL EN DE COMMUNIE.
Van mijn peutertijd weet ik niet veel meer. Wel dat de wereld erg groot leek. En dat er niet veel gebeurde. De Horsterdijk was een zandweg met karsporen en een heel smal fietspaadje er naast. Als het mooi weer was -en dat was het volgens mij zomer en winter- zat ik in het zand op die weg te spelen. Als er een kar voorbij kwam werd ik door de voerman aan de kant getild. Als de kar voorbij gebolderd was kroop ik vanzelf wel weer in ‘ t losse zand van de hoefslag.Toen ik ’n jaar of vijf was mocht ik naar de bewaarschool (nu kleuterschool) bij de zusters. Vroeger waren het Ursulinen, in mijn tijd was het een andere orde, “van Onder de Bogen uit Maastricht” werden ze genoemd.zuster
Het eerste kwam je op de kleine kant en het jaar daarop ging je naar de grote kant. Het beste herinner ik me dat de zusters bijna niets hadden om ons bezig te houden. Als je pech had dan kreeg je een stuk balatum van 30 bij 40 cm. Daar kon je echt niks mee, alleen met je vinger de lijnen van het patroon nalopen. Wie meer geluk had kreeg een lapje stof van 10 bij 10 cm of kleiner, dat mocht je helemaal uitrafelen. De meest gelukkigen kregen een handvol timmerafval, latjes en blokjes en stukjes plank. Daar kon je soms wel een toren van bouwen. Toen ik op de “grote kant” zat gebeurde er iets bijzonders: mijn oudste broer Wim had zijn priesterstudie afgerond bij de paters voor de Afrikaanse missiën. Hij werd op 21 december 1936 priester gewijd in Engeland, in Hastings was zijn laatste studieplek. Daar is van de familie niemand bij aanwezig geweest, veel te duur en omslachtig. Met kerstmis zou hij zijn eerste mis plechtig mogen opdragen in Lottum.  Dit is een gedachtenisprentje daaraan.

wim 1wim 2

Wie op het idee gekomen is weet ik niet (Pastoor Kerbosch?) maar het zou nog feestelijker worden als hij dan als oudste van het gezin aan de jongste (ik dus) de eerste communie zou uitreiken. Daar was een heleboel dispensatie van de Bisschop voor nodig want ik had de vereiste leeftijd van 7 jaar nog niet bereikt, maar ook dat ik de kleine catechismus moest kennen. Normaal leer je eerst lezen en schrijven. Ik heb er heel wat uurtjes voor na moeten blijven bij de zusters. Daardoor had ik later wel een enorme voorsprong op de klasgenootjes van de lagere school. Mij zou ’t volgende niet zijn overkomen: De kapelaan vroeg onder de catechismusles aan Herman B.: “Wat zijn de vijf geboden van de heilige kerk?” Herman wist het niet. En herhaalde keurig wat achter hem werd gefluisterd: “De vijf geboden van de heilige kerk zijn deze vier: geloof, hoop en liefde.”

Het priesterfeest was een heel gebeuren voor het dorp, versierde straat en kerk, het huis vol gasten. Behalve mijn oudste zus Cato. Die mocht niet komen van haar overste (ze was in het Zuid-Franse Menton in het klooster voor opleiding tot missiezuster) dat zou niet passen bij de gelofte van armoede van de orde. Op de foto moest een plaatsje in de laatste rij vrijgehouden worden. De fotograaf heeft van een andere foto haar hoofd en schouders uitgesneden en dat er duidelijk zichtbaar tussen geplakt. Met ’t huidige fotoshop zou ’t onzichtbaar zijn geweest.
De schooljeugd kreeg een traktatie: Mijn ouders vonden dat ze iets moesten doen, bij een bruiloft werden broodjes gegooid tussen de samengestroomde kinderen (uitleg volgt) , maar ze vonden dat niet passen bij een priesterfeest, daarom kregen ze allemaal een sinaasappel. Zoiets was bijzonder, er is nog lang over gepraat in het dorp. Ik weet nog dat ik met mijn sinaasappel aan het spelen was in de keuken -meteen opeten was nog zonde- toen hij in een grote ketel soep viel die daar op het vuur stond. Hij smaakte er niet minder om.

STUUTJES GRIE~PEN en HAOREPLUK
Bij de Lottumse woorden staat er bij dat het een “oud gebruik in Lottum” was. Daar wil ik wat over vertellen. Het hing samen met een bruiloft. Als er een bruiloft was dan werd die traditiegetrouw gevierd in het ouderlijk huis van de bruid. Het begon met de huwelijksmis, om 9 uur ’s morgens was vrij normaal want je moest nuchter zijn voor de communie. Daarna koffietafel. Gewoonlijk zat het huis stampvol -grote gezinnen en kleine huizen waren normaal- en na de koffie moest dan plaats worden gemaakt om de feestdis klaar te maken. De hele meute ging daarom naar de plaatselijke cafés. Een leuke anekdote over de bruiloft van mijn overgrootvader van Leuven in Meerlo: Daar was het gebruik dat de gasten eerst het café “bezetten” en dat daarna het bruidspaar binnen kwam. De bruidegom wilde een mooie entree maken en hij riep bij binnenkomst: “EN HIER IS DAN NAPOLEON MET ZIJN GEMALIN”. Hij heeft er de bijnaam Bonaparte aan overgehouden, en zijn kinderen heetten dus niet van Leuvens Toon maar Bonaparts Toeën enzovoorts.
Er werd op die kroegentocht overal wat gedronken, er waren in die tijd zoveel cafés dat ze niet eens allemaal konden worden bezocht. Om 12 uur moest het gezelschap terug zijn bij het huis van de bruid. Dan kwam de schooljeugd. Die werd ook bij het feest betrokken. In mijn vaders jeugd (eind 19e eeuw) werd er dan een plats tussen de kinderen gegooid waar ze om konden vechten of in stukken trekken. (Een plats is een ronde vloergebakken mik) Daar is mee gestopt nadat een zekere Gradus (volwassen, tenminste lichamelijk) zich telkens tussen de kinderen begaf en er met de plats vandoor ging. Hij at hem dan gelijk op. In mijn tijd was men al lang overgegaan op het gooien van broodjes. Bruid en bruidegom gooiden die tussen de kinderen, die streden om er zo veel mogelijk te vangen. Die werden dan in de bloes gepropt. Ook broodjes die op de grond vielen werden gepakt, een beetje zand schuurt de maag, werd dan gezegd. Daarna kwamen de bruiloftsgasten aan de beurt. Die gooiden een stok of een steen  zo ver mogelijk weg. Degene die hem terugbracht kreeg dan de uitgeloofde prijs: een stuiver, een dubbeltje of soms wel een kwartje. Dat terugbrengen ging niet zo gemakkelijk, wie de stok had mocht je aan de haren trekken tot hij de stok losliet. Het zal duidelijk zijn dat dit alleen voor jongens was. Er waren er die zich kaal lieten knippen om zo weinig mogelijk vat te bieden! Als de jeugd afgedropen was stond de soep klaar en werd er gegeten.

DE  TROTS VAN LOTTUM
Laat Lottum dan een gat zijn zonder schutterij, maar in Lottum zijn we trots op onze Koninklijke Harmonie, opgericht in 1851. Die hadden de meeste dorpen niet. De meesten kwamen niet verder dan een fanfare, omdat die zonder hout spelen (klarinetten, dwarsfluit, piccolo) is de bezetting sneller compleet. De oudste foto mij  bekend is van het 75-jarig jubileum in 1926.75 jaar harmonieEr  zijn regelmatig groepsfoto’s gemaakt. Deze is van 25 jaar later, bij het 100-jarig jubileum. Daar sta ik tussen de andere twee altsaxen Henk van Dijk en Harrie Brouwers in de tweede rij van boven.

foto van 100jarige Hamonie

Het is een gezonde sport, je raakt er nooit bij geblesseerd, je kunt het zeker veel langer doen dan voetballen.
In 2012 waren Tjeu Corbey en Jeu Vergeldt en ik 60 jaar muzikant.

dit is een foto van de 3 jubilarissen
Tjeu is er inmiddels mee moeten stoppen maar Jeu en ik blazen nog gewoon mee zo lang het gaat. Momenteel -voorjaar 2017- is Jeu ook niet meer actief lid, hij weet de weg niet meer, Alzheimer krijgt de schuld.

Sjen Wagemans, 75 jaar bassit!

Sjeng Wagemans, 75 jaar bassist!

De prestatie van Sjeng Wagemans zullen we wel nooit kunnen evenaren; die heeft 75 jaar fanatiek meegeblazen! Hij stierf in 2001 op 93-jarige leeftijd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onze Koninklijke heeft een uitzonderlijk archief. Het is door Pierre Keiren in vele jaren opgebouwd en wordt momenteel beheerd door Pierre van Dijk.  Beiden staan op een  groepsfoto van het bestuur gemaakt bij het 150-jarig jubileum.

v.l.n.r. Knippenberg, Pierre Keiren. Piet Smits, Mart Aarts, Henk Martens, Karin Stammen - v.d. Laak, Pierre van Dijk

v.l.n.r. Yvon Knippenberg, Pierre Keiren † . Piet Smits †, Mart Aarts, Henk Martens, Karin Stammen – v.d. Laak, Pierre van Dijk.

Op voorstel van Bernard Driessen is de “oude garde” van de Harmonie uitgenodigd om verhalen over vroeger op te halen met de bedoeling om deze voor de toekomst vast te leggen. Die staan namelijk niet in de notulen.
Aanwezig   op dinsdag 5 april 2005:
Martien v.d. Brandt, Sef Claessen, Mathieu Corbey, Bernard Driessen, Henk Hendrix,  Pierre Keiren, Vic Keltjens, Noud Rütten,  Piet Smits, Mart Teluy, Mathieu Vergeldt, Leo Verheijen.
Op 25 oktober ’05 was de volgende bijeenkomst. Van de 38 genodigden waren aanwezig:
Sraar Achten, Martien v.d. Brandt, Leo Clabbers, Sef Claessen, Chr. Donners, Bernard Driessen, Jos Driessen, Henk Hendrix, Paul Keltjens, Fried Keltjens, Harie v.d. Pasch (WielZn), Noud Rütten, Leo Verheijen.

Het onderstaande is een samenvatting van beide bijeenkomsten

DIRIGENTEN van de Lottumse Harmonie
Vroeger sprak men de dirigent aan met ‘directeur’. Geen van de aanwezigen heeft een voorganger van Felten meegemaakt. Deze was beroepsmuzikant bij de huzaren (geweest). Pierre Keiren vertelt dat voor Felten een andere beroepsmuzikant, Winia , korte tijd dirigent is geweest.

Misschien de foto van dirigent Dietz uit Tienray?Nog voor hem –in de twintiger jaren, crisistijd- heeft Constant Dietz uit Tienray hier  gedirigeerd. Hij kwam per fiets naar Lottum en deed dat gratis, want Lottum was een Harmonie, alle andere gezelschappen in de buurt waren fanfares. Het zou best eens deze man kunnen zijn (<–). Onder in beeld is trouwens nog net Jan Keltjens te herkennen, in de volksmond Janus van de Post genoemd.
Van Jan Nabben uit Tienray hoorde ik dat op de grafsteen van Dietz de verenigingen staan vermeld die hij geleid heeft. Omdat men Lottum daarbij vergeten was,  is er achteraf een cementen afgietsel gemaakt waar de Lottumse Harmonie op stond en er op de grafzerk bijgelegd.
Ik heb daar op 13-8-15 foto’s van gemaakt. De tekst op de grafsteen is duidelijk leesbaar, van het cementen afgietsel is maar weinig meer over.

 

 

Grafsteen Constant Dietz

Grafsteen Constant Dietz

met moeite is "harmonie" te ontcijferen

met moeite is “harmonie” te ontcijferen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onderdirecteur in de tijd van Felten was Sef Keltjens (vader van Post Janus, grootvader van de huidige leden Paul en Fried Keltjens, overgrootvader van Noortje Dijks). Een veelgehoorde uitspraak van Sef: “Verkie~rd, oppernîjd, dao-aan” met een vinger wijzend naar de maat waar je weer moest beginnen. Klarinettisten kregen te horen: “Kniepen op dat dink, ge mot ni  meinen dat ge op ’t huuske zit”. Op een zaterdagrepetitie was er een probleem met een klarinetklep. Vroeg Sef: “haet der nemes en nieptang in de tès?”
Na hem was dat Sef Smits (vader van klarinettist en later bestuurslid Piet Smits). Deze mannen dirigeerden de zaterdagse repetitie -je had toen twee keer in de week repetitie- en leidden de leerling-muzikanten op. In de tijd van Sef Keltjens gebeurde dat in een speciaal leeg geruimde kamer bij Gradus Coenders door Gradus, of in de harmoniezaal door Sef Keltjens. Noten lezen en zingen, driekwartsmaat en vierkwartsmaat. ’n Heel jaar lang. Ook muzikanten hadden vaak leerlingen onder hun hoede. De leerlingen speelden dan de oefeningen voor die Sef had opgeven.
Leo Clabbers kwam met zijn neef Marc Clabbers op zijn brommertje van Horst richting Lottum voor een optreden. Bij Melderslo was de benzine op, dus te voet verder, het werd hoog tijd. In Lottum gauw getankt bij Wiel Seuren aan de markt en in de hoofdstraat stond Sef Smits te praten met Sir Thielen. Hij foeterde dat ze veel te laat waren, schiet maar gauw op, we moeten zo beginnen. Dus snel naar huis, de trom gehaald en naar de Harmoniezaal. Toen moesten ze wachten. Sef Smits stond zelf nog steeds met Thielen te praten.
Sef Smits dirigeerde ook eens bij een muziekfeest in Grubbenvorst. Onderweg had hij een dirigeerstokje gesneden uit een ligusterheg. Die hadden zijn voorkeur. Evenals een goede sigaar. Die  hield hij dan ook gewoon in de mond tijdens het dirigeren van de uitvoering. Voor veel mensen heel gewoon, maar er waren er ook die vonden dat dat niet kon.
Je had in die tijd zelfs  mensen die vonden dat als hij onderweg bij het brood bezorgen eens moest plassen, er bij de heg gelegenheid moest zijn om de handen te wassen. Sef zat daar niet mee. Ook niet om het paard een klap op z’n kont te geven met een roggebrood dat hij net in z’n handen had. Het paard werd toch elke morgen geborsteld?
Hij was, herstellende van een breukoperatie, weer aan het bezorgen. Bij Teluy vroegen ze “hoe gaat het Sef?” Hij zei: “als ik op de hurken ga zitten dan kom ik niet meer overeind.” Hij ging op de hurken zitten en inderdaad, als de mannen hem niet overeind hadden getrokken dan zat hij er nu nog.
Voor de tamboers was de leiding en opleiding in handen van (Ingder) Hand Lenssen uit Houthuizen. Van hem wonen momenteel geen kinderen of kleinkinderen in Lottum. Hij gaf de leerlingen een sigaret als ze goed getromd hadden.

Felten.
Het was geen gemakkelijk heerschap. Hij kwam ’t liefst met de buslijn Venlo – Nijmegen want hij woonde ergens in Venlo Noord. Die stopte aan de overkant van de Maas. Dus als de pont uit de vaart was met hoog water moest hij eerst naar het station Venlo om de buslijn Venlo – Venray te nemen. Dat kreeg het bestuur dan wel te horen.Felten Na afloop van de repetitie moest hij per auto naar huis worden gebracht door iemand van het bestuur die een auto had tot hij er ruzie mee kreeg. Later door taxi Verstraaten maar daar kreeg hij ook ruzie mee. Daardoor is Rien Verstraaten van de harmonie af gegaan.  Martien van den Brandt heeft in de tijd dat hij in de kazerne Blerick in militaire dienst was daardoor wel de repetities kunnen blijven volgen: met de bus naar Lottum en met de “dirigenttaxi” terug naar Blerick.  Voor leerlingen kon hij vervelend zijn. Hij vroeg aan de groep om de kruizen en mollen te benoemen. Alleen Dirk van de Pasch kende ze, de rest had er nog nooit van gehoord. Felten stuurde ze allemaal naar huis met de boodschap: ‘je hoeft niet terug te komen voor dat je ze kent’. Op school vroeg muziekleraar Janssen hoe het kwam dat Dirk ze wel kende. Hij zei: ‘dat heeft mijn broer Harie me geleerd’.
Toen Jan van Dijk (van solotrompettist schoesters Funs) de eerste keer met een instrument op les kwam zei Felten: “Jij bent dus de zoon van Funs van Dijk? Laat maar eens horen wat je kunt.” Jan was zo zenuwachtig dat hij geen noot kon blazen. Toen joeg Felten hem naar huis. Einde carrière.
Theo van Horck had een Cor (Hoorn) maar wilde graag trombone spelen. Felten ging daar niet op in. Theo had geen zin om met de Cor verder te gaan en stopte er mee.
Tijdens een repetitie voor een concours tikte hij ineens af en zei tegen Nölkes Funs: ‘Daar staat een si-mol!” Zegt Funs: “Ik heb gaar neet gebloaze!”
In een van de eerste jaren na de bevrijding zijn we naar Lindenheuvel geweest. Nol van Dijk woonde daar, was lid van de fanfare van de kolenmijn en had geregeld dat we samen een concert zouden geven. Bussen waren er niet, alles ging met (leger)vrachtwagens. Houten bankjes achterop, zitten, aanschuiven en rijen maar. Mevrouw Donners die uit die streek afkomstig was ging als enige dame met haar man mee. Zij mocht natuurlijk bij de chauffeur in de cabine. In Venlo kwam dirigent Felten er bij. Hij stapte ook voor in. Een paar kilometer verder stopte de vrachtwagen plotseling langs de kant van de weg en kwam mevrouw Donners aan de achterklep vragen of ze er bij mocht komen zitten. Dat ging; ’t was wel eng maar voor haar blijkbaar prettiger dan voorin.
Felten rookte Egyptische sigaretten, Turmac, en hielp dus mee om de lucht op de bühne blauw te houden. In de winter als de voorkant met schotten werd  afgezet en de dikke kolomkachel aan was kon je nauwelijks meer zien wie er wel of niet was.  Muzikanten uit die periode:
Hay van Deelen rookte doorlopend pijp. Als er moest worden ingezet nam hij eerst een flinke haal en begon dan te spelen, de rook kronkelde uit de saxofoon. Hij was technisch erg goed, kon goed ‘veel noten maken’. Als je hem door de week trof klaagde hij altijd over pijn in zijn ribbenkast. “Ik goj kepot, ik verrek van de penspien” 
Frans Coenders uit Houthuizen speelde bariton of tuba; als hij ooit eens een verkeerde ventiel indrukte begon hij aan de vingers te trekken en te draaien, hij had ooit met zijn hand in de dorsmachine gezeten. Daarom kreeg ze de schuld.
Voor er op concours werd gegaan gingen Gradus Coenders en Chrit Donners in de kelder onder de bühne luisteren hoe hard de maat mee getikt werd. Dat mocht voortaan alleen met de teen in de schoen. Daar hebben alle achtereenvolgende dirigenten op gewezen.
Fons Coenders (Nölkes Funs) blies Alto. Tegen Thei Rutten die voor het eerst naast hem mee mocht spelen zei hij: “Als je niet meer weet waar we zijn, dan blaas je maar een do of een sol, dat stemt altijd”.
Toon Rutten (de vader van Thei) was bestuurslid. In die tijd was het gebruikelijk dat bestuursleden die verjaarden in de pauze een rondje gaven. Toen Toon Rutten dat gedaan had vroeg Felten na de pauze aan Thei: “hoe oud is je vader nu?” Zei Thei: “dat weet ik niet, maar we hebben hem al lang

Weerts kwam na Felten.
Hij tikte de maat op de knie van de leerling,  onderwijl dikke wolken blazend uit zijn pijp. Fried Keltjens, Leo Verheijen, Sef Claessen, Bernard Driessen hebben zo les van hem gehad. Hij behoorde tot de top van de  dirigenten in die tijd.

Nico van de Kronenberg (de Kroeën) volgde Weerts op. Hij vertelde altijd sterke verhalen. ( Dat is ierlijk waor ni gelaoge)
“Trompetgeluid dempen hebben we wel eens gedaan door de trompet in de beker van de bas te laten spelen.”  Tegen bassist Wagemans: “ Wà Sjeng ? “  Sjeng: “Dat kàn good….. gelaoge zien.”
In Lomm hadden ze bij de Zwarte Ruiter een danszaal gebouwd, dat had al genoeg geld gekost dus was een orkestje inhuren veel te duur. Hij kwam bij Nico van de Kronenberg in Arcen vragen of hij piano kon leren spelen. Dat kan, zei Nico. Wanneer wil je beginnen met de lessen? “Het zit zo”, zei hij: “komende zondag is het kermis bij ons en dan wil ik zelf dansmuziek maken.”
Hij had ’n keer felrode bretels aan, speciaal de jas uitgetrokken dat het op zou vallen en nog had niemand iets gezegd. “Zaet d’r now neemes wat ovver mien neej bretels?”
Hij droeg soms ’n pak van een neef uit Duitsland, veel te groot, ’t leek wel of het was opgehangen in plaats van aangetrokken.
Hij was ook dirigent van het zangkoor in Arcen. De hele mis had hij een bromtoon gehoord. Later pas zag hij dat de organist ’n bas-pedaal als voetsteun gebruikte.
Hij kon een concert “verkopen” aan het publiek. In Düsseldorf speelden we in de Hofgarten, tamboer Geert Huys moest een aantal maten solo spelen, dat kondigde hij aan als iets geweldigs. Geert rammelde op alle trommels en deksels die er stonden en het publiek hield niet op met klappen en na afloop kwamen ze om een handtekening.
In gemeenschapshuis de Smetenhof  met ongeveer de slechtste akoestiek die je kunt verzinnen moesten we een concert geven  voor de bejaarden. van de Kronenberg vertelde dat het geweldig mooi was wat we gingen brengen, het klonk verschrikkelijk en de oma’s klapten zich de handen bijna stuk. Vic Keltjens zei tegen hem “Ik vind het toch echt kunst om dat zo te verkopen” Zei Kroonenberg “Ik heb toneelschool gehad”
Martien van Well moest een stukje voorspelen, dat lukte niet zo goed. “út velt taege wa Martien? “ zei de Kroeën . “Jao” zei Martien “ôs ok” zei de Kroeën. “Hedde wal geblaoze van de waek?” Martien: “Jao waal” de Kroeën: “In de soep zeker!”
Onder zijn leiding zijn we in 71 – 72 landskampioen geworden in de ere-afdeling.Landskampioen 71-72 ADaarna speelden we in Amsterdam voor de landelijke wimpel. We mochten spelen in het concertgebouw. Hij wees op de namen aan de wand en zei tegen ons: “Zuusse dat, moeij wa:  Mozart – Bach – Beethoven – Brahms – van de Kroonenberg –  ….”
De baritonsax van Henk Hendrix was uit de bus gevallen toen de chauffeur de bagageklep open maakte.  Er waren diverse kleppen scheef, hij was onbespeelbaar. Ook een muziek-instrumentmaker die er toevallig aanwezig was kon de verbogen stangen niet recht krijgen. Iedereen was overstuur, ook van de Kroonenberg. Pierre Keiren zei later tegen hem: “Wat zag je bleek toen je de trap af kwam”. Hij antwoordde “ik ben helemaal niet van een trap afgekomen”. Hij had de hele trap niet gezien.
Er is toen geen wimpel uitgedeeld. Er moesten minimaal 300 punten worden gehaald en we hadden er maar 296 gekregen. Onze concurrent  Purmerend kreeg er maar 250.  Achteraf werd gezegd dat de jury die paar punten er wel bij had gedaan als ze hadden geweten dat we die pech hadden met de baritonsax. Overigens: op het laatste moment kreeg Henk Hendrix een baritonsax te leen van een beroepsmuzikant die door een ander gezelschap was ingehuurd en van onze pech had gehoord. De meeste leden zaten toen al op het podium en wisten niet beter dan dat het instrument kapot was en zaten in de zenuwen. Dat kwam de uitvoering niet ten goede.
Nico had iedere herfst nieuw behang, dan liet hij de kinderen gevallen bladeren verzamelen en op het behang spelden. Dat vond hij prachtig.
Bij het opruimen van de kamer heeft hij eens zijn autopapieren en zijn rijbewijs per ongeluk bij het vuil gedaan en opgestookt.
Hij had een goed recept voor de akoestiek. Hij zei: “Als het thuis te hard klinkt als je aan het oefenen bent , hang dan maar een mand was op in de kamer”.
Toen hij eens in Duitsland werd aangehouden en niet verder mocht rijden omdat zijn papieren niet bij zich had heeft hij een hele dag op een klapstoeltje naast zijn VW gezeten. Die liet hij niet alleen. Hij verzorgde hem ook heel goed. ‘s Winters legde hij er een deken over, hij dacht dat ie dan beter zou starten. Die deken lei hij op de voorkant. Dat daar geen motor zat had hij niet in de gaten.
Het is evengoed gebeurd dat hij in wilde stappen en dat de wagen op bakstenen stond: de wielen waren er afgehaald. Tenminste, dat vertelde hij zelf. En dan kan ‘t heel goed … geloagen zieen.

In Broekhuizen is Rijken bijna altijd dirigent geweest. Voor zijn aanstelling als organist was hij boekhouder bij Aarts Conserven in Lottum. Hij woont al weer enige tijd in Horst. Zijn kinderen zijn ook allemaal muzikaal. Een dochter schrijft nog wel eens in het bondsblad Cecilia. Hij was vandaag (25-10-2005) 50 jaar getrouwd. Zijn kinderen en kleinkinderen hebben vanmiddag de mis in Broekhuizen opgeluisterd. Paul Keltjens heeft zojuist met de fanfare van Broekhuizen een serenade gebracht, gelijktijdig met de fanfares van Vierlingsbeek en Maashees. Bij deze verenigingen was hij in totaal 83 jaar dirigent geweest. Ze hebben gezamenlijk door zelf gecomponeerde marsen gespeeld. Nu kregen de drie gezelschappen van hem een door hem geschreven mars cadeau: Gouwe Ouwe.
Hij heeft ooit van Strauss’ Kaiserwals een mars gemaakt: de Kaisermars. Dat was geen succes. De collage van thema’s uit marsen van Sousa was daarentegen wel om aan te horen.
Zijn sterke kant was de klankverhouding. Of het stemde hoorde hij niet zo goed. Iets te hoog of te laag  afgestemd? Hij kon het niet zeggen. Daarvoor ging hij af op het oordeel van degene die vooraan zat.
Het was geen grote vriend van Nico van de Kronenberg. Er heeft eens bij gelegenheid van een jubileum een artikel in de krant gestaan over van de Kronenberg. Enkele dagen later stond er een ingezonden stuk van Rijken in de krant: Wat van de Kronenberg presteerde stelde niks voor. Ze moesten maar eens luisteren naar de muziek die Rijken schreef!!.

Verbroedering.
Enkele jaren na W.O.II werd “van hogerhand” verordonneerd dat het tijd werd voor verbroedering; je kon niet altijd kwaad blijven op de Duitsers. En wat is geschikter om het ijs te doen smelten dan muziek? De Harmonie zou hiermee beginnen door in Walbeck  een concert te geven. Problemen werden opgelost: Er werden gezamenlijk DMarken ingekocht, je mocht ieder maximaal 5 DMark meenemen; Er werd een lijst van deelnemers opgemaakt door de Gemeente als gezamenlijke pas. We moesten gelijk vertrekken (per fiets) want we moesten gelijk aan de grens/slagboom staan om geteld te worden. In Walbeck was het kermis, het bier was lekker en de marken waren zo op. Na het concert zagen we op de markt een kraam staan.  “Ik heb wel een beetje honger”  zei Sraar van Horck.  Hij bestelde een zak friet en een worst en mayonaise en begon te eten. “Hallo,” zei de man van de kraam, “ich bekomme xx DMark van Ihnen”.   Zegt Sraar die zijn 5 DMark allang verzopen had: “das komt nicht so sauber, sie haben bei uns so viel geklauwd”. Die man was wel kwaad maar durfde niet uit zijn kraam te komen, er stonden te veel mensen rondom Sraar die hij niet kende.
Hoe het kwam weet ik niet meer zo precies maar toen we met een groepje bij de grens kwamen (tegen de morgen) was er niemand bij de douanepost aanwezig en de slagboom dicht. Gradus Coenders had de gezamenlijke pas bij zich en stopte die in brievenbus. “Zo, dan weten ze dat we terug zijn gegaan”.  Een paar dagen later werd Lottum opgeschrikt door Marechaussees die iedereen wilden verbaliseren die op die lijst stonden vanwege illegale grensovergang. Het heeft hetbestuur nogal wat moeite gekost om een en ander gesust te krijgen.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

XHTML: You can use these tags: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>