Op z´n Lottums


Lottums is plat. Dat kump umdat de minse in lieëge huus woeënden, dao pees gen hoeëg Hollands een.

Lottums is völ platter as ge dinkt, ge kunt ’t has ni schrieve woej ’t klinkt.
’t Mak ok völ oet woej ge ’t zegt, en wao ge de klemtoeën legt.
Ieëne knieën klinkt langer as twieë knien, terwiel die samen toch langer zieën.

En roeëd kuuëlke kunde baeter kaoke as schrieve,
beej en roeëd kuulke kunde baeter weg blieve.
Schravele en schroevele is en groeët verscheel,
dao zal nemes ovver straevele, dat zidde zonder breel.
Stöke is gen staoke, ma stokte mit mieër man,
dan ziedde toch wer stökers, ma ni va Stökers Jan.

Snubbeke en fiespernölle dôdde gans allieën,
en tiskont leus lang ni alles woej idderieën.
Ziede örges hendig mei daan is ’t vur oow ‘en sneej wek’
en mennige ezel is enne vent al vinde dat wal gek.
Vur krabboek is niks neudig en ge hed toch biestig kleug.
Zwaegelstekken hebben is wat ge as kiend ni meug.
Wál en knapbus maken oet enne vlierbessenstroek,
op mekaar scheten teggen de kop en den boek.

En dit is gejat (gelieënd) van Paul van Gool. Heer en dao wat veranderd (verbaeterd haop ik) en aangevuld mit zelfgehuurde wörd (zonder nummer).

’t is ennen hiele klats Lottums:

1 Aafsmère: aftuigen
2 Aaftrekken: scheet laten
3 Aa~l: allemaal
4 Aalzelaeve: altijd
5 Aling: heel
6 Amazuur: blaasvermogen (lipspanning)
7 Arig: vreemd, verdacht
Aechterbôks: Paardentuig dat over het achterwerk wordt gelegd..
Aektes: Salamander
Aventatie: ontspanning
8 Babbeltje: snoepje
9 Bag: big
10 Baktand: kies
11 Bandelen: hoepelen
12 Baom: bodem, achterwerk
Bam, Bemke: Boterham, kwart van ’n boterham
13 Bats: bil
14 Begie~n: non
15 Bels: België, Belgisch, Belgisch trekpaard
16 Bergemuuske: verstoppertje
17 Betoepen: oplichten, belazeren
18 Beyen: bidden
19 Biëstig: zeer, erg, beestachtig
20 Bleik: bleek, gazon
21 Blöken: walmen
22 Blutsen: kneuzen, stoten
23 Bôch: bed
24 Boebs: blut
25 Boekèl: boeman
26 Böken: huilen
27 Bôks: broek
28 Bokspringen: bokspringen
29 Bôttermelk: karnemelk
30 Bouten: schijten
31 Bouwen/umbouwen: (om)ploegen
32 Brandbère: bramen
33 Broensig: bruinachtig
Britje: opstaande kant van een kar
34 Buizen: zuipen
35 Burries: twee balken aan een kar waar het paard tussen loopt.
36 Dabben: met de handen/poten graven
37 Del (‘n): ’n aantal
38 Dè~s: paardevlieg
39 Deem: speen van koe
Doebdeksel: klein persoon
40 Doeën beej: dichtbij
41 Doorslaag: vergiet
42 Draeger: bagagedrager
43 Drats: koffiedik
44 Drek: onkruid
45 Dreksbak: afvalemmer
46 Droasbôks: enigszins lachwekkend figuur
47 Duchtig: flink
48 (neet) Duëgen: (niet) deugen, (niet) in orde zijn
49 Duk: vaak, dikwijls
50 Dumpel: deuk
51 Efkes: even
52 È~k: azijn
53 Emus: iemand
54 Erdsbè~re: aardbeien
55 È~vel: hoe dan ook, sowieso
56 Evvel: stopwoord / evenwel
57 Falie (nákse): blote kont
58 Fiemel: afwijking, hobby
59 Fiespernöllen: frunniken
60 Finte: kuren, streken
61 Fintwater/Vintwater: wijwater
62 Flatsen: zakken voor een examen
63 Flet: anjer
64 Flie~s: tas
Flimp: spaander, om vuur te nemen uit haard of  kachel.
Floetete: opscheppen, opsnijden
65 Foeës: loom, lamlendig, vadsig
66 Foe~telen: oneerlijk spelen
67 Friemelen: met de handen ergens aan zitten te prutsen
68 Frunselen: kreuken
69 Fus: vat
70 Gaaien: bevallen
71 Gaar neet; – niks: helemaal niet;  – niets
Gâs: 8 schoven tegen elkaar gezet
72 Gans: helemaal
73 Garepaap: halve gare
74 Garepaap: libelle
75 Gavel: hooivork
76 Gèle verf: geelzucht
Gelénkig: lenig
Gè~lp: mals
77 Gelint: draadomheining wei
78 Gé~r: gierig
79 Gè~r: graag
80 Gerf: garf, bos graan, schoof
81 Ge~rt: hengel
Geschieër:  gereedschap, (paarden)tuig
82 Gevrè~t: gezicht
Gewelf: plafond
83 Gewè~re: begaan
Gewiekts: gehaaid
84 Geyen: wieden
85 Graaf: sloot
86 Grei: spul
87 Greken: sjachrijnen
88 Greuzelen: glimlachen, binnenpret hebben
89 Grie~zelen: kiezeltuintje opharken
90 Groeëte kant: groep 2 (van de kleuterklas)
91 Gröts: trots
92 Gruts: goot
93 Gu~ns: ginds, ’n eind weg
94 Haffel: handvol
95 Hanneke toep: soort dikke worst
96 Has: bijna
97 Hemdrok: onderhemd met korte mouwtjes
98 Hemelbieësje: lieveheersbeestje
99 Hiëp: hakmes
100 Ho~öf: tuin
101 Hoarepluk: oud Lottums gebruik
102 Hojje: dag, houdoe
103 Hommelen: onweren, donderen
(alle) Hondsgezeike: dingen  die (te) vaak gebeuren
Hortig: Haastig
104 Hörtje: (eier)rekje
105 Houwen: slaan
106 Hudsel: halster
107 Huiwagen: spin
108 Huukskes: hurken
109 Huuske: wc
Huuët: Opstaande voorkant van kruiwagen
110 Illik: bunzing
111 Inkkater: eekhoorn
112 Inkketske: eekhoorntje
113 Intrint: bijna
114 Joeks: lol
115 Joerts: mus
116 Jöken: wiebelen, wippen
(Bì-je)Kaaër: (Bijen)Korf
117 Keldschie~ter: koukleum
118 Kalde schóttel: aardappelsalade
119 Kanedassen: populieren
120 Kao~ye: kaantjes
121 Käök: gazeuse
122 käöken: boeren
123 Kappes: kool
Kárstaelt: Steun onder karburrie
124 Kel: man
125 Kelderverken: pissebed
126 Kerboet: balkenbrij
127 Kè~ren: vegen
128 Ketteren: hard rennen
129 Ketterschoon: gymschoenen
130 Kieps: pet
131 Kierke: big
132 Kietelstieën: afgeronde kiezelsteen
133 Klaor kómmen: (met elkaar) goed met elkaar op kunnen schieten
134 Klats / kletske: hoeveelheid
135 Klef: talud, helling
136 Kleine kant: groep 1, kleuterschool
137 Klets: (de) de klets weg krie~ge: ziek, verkouden worden
138 Kleu~ch / kluchtig: lol / lollig
139 Klieëd / kledje: jurk / jurkje

Konijn

Ieëne knieën.

140 Klots, Klötskes: gekloofd brandhout
Kloe~t:kluit, kloete: turf, turven
Kluëven; kloven
141 Kluntjeswek: suikerbrood
Knabben: Handgrepen van de zeis
142 Knam: helemaal
143 Knao~k: bot
Knapbus: zelfgemaakte (van vlierhout) proppenschieter.
144 Knapkook: koekje
145 Kneien: kneden
146 Kneuzelen: knoeien
Knieën: konijn (zie foto 1)
Knien: Konijnen (zie foto 2)

knien

Driej knien

147 Knoajen: mopperen
148 Knoep: groot ding
149 Knoeren: hard werken
150 Knoers: kraakbeen
151 Knoevelen: knuffelen
152 Knómmel: rotzooi
Koalen: steenkool
Koeël: Kool
Koel: kuil
153 Koes: varken
154 Koetelen: ruilen
155 Kompeneej: gezelschap
156 Koppien: hoofdpijn
157 Krangs, unne krangse: dwars, dwarsligger
158 Krangs um: binnenste buiten
159 Kratsen: krabben, jeuken
160 Krebbelen: krassen op papier
161 Krek (good): net, precies (goed)
162 Kriemel(en) jeuk(en), kriebel(en)
163 Kroazen: hard rijden, scheuren
164 Kroe~t: stroop
165 Kroe~tpers: stroopfabriek (van Van Soest)
166 Kroe~twis: bos bloemen en kruiden
167 Kroednaegel: seringen
168 Kroëten: rode bieten
Krops op: tegendraads
Krot, Krötje: klein (ding, persoon)
169 Krujer: schooier
170 Kruuske: gekruiste vingers bij tikkertje
Kuëven: mand vlechten
171 Kui: hok
172 Kuiten: voetballen op één goal
Kuuëlke: kooltje (groente)
Kuulke: gaatje
173 Kummelijk: zeikerig precies
174 Kuu~men: kreunen
175 Kwaggen/kwiemen: jonge vogels
176 Kwakel: dennenappel Als een koe of paard in eigen mest had gelegen en dat was in harde korsten opgedroogd werden dat ook wel kwakels genoemd
Kwalmen: walmen
177 Kwazel/kwazelen: onzin/onzin vertellen
178 Kwekvors: kikker
179 Kwellik: maar net, pas
Kwikband: Riem onder paardenbuik tegen het opkiepen van de kar
180 Leis: leidsel, teugels
181 Leknaas: iemand die niks lust
182 Lichtig: vaak, meestal
Ligreem: Riem over het paardenzadel waarin de karburries rusten
183 Litsen: bretels
184 Löbbes: goeiige sul
185 Loeëk: uien
186 Loemele: vodden
187 Loëzie: horloge
188 Mangelwortel: veevoer, soort voederbiet
189 Manskel, mansluuj: man, mannen
190 Mè~lkòrf: Vlaamse gaai
191 Megje: meisje
192 Mei~d: verloofde
193 Meizoentje: madeliefje
194 Mè~lder: merel
195 Mey: soms
196 Middá~g: 12 uur ’s middags
197 Mie~mer: aalbes
198 Mieske: katje
199 Miet: mijt
200 Mie~zelen: motregenen
201 Mi~spel: wesp
202 Mo: moeder
203 Moa: uitroep van verbazing
204 Moeken: slijmen
205 Moelbaere: bosbessen
Moeëk: Verstopplaats van (vaak gejat) fruit
206 Moe~len: praatjes maken
207 Moer: waterketel
208 Moetwörm: mol
209 Mök: kalf, jonge koe
210 Moor: vrouwelijk konijn
211 Möp: kooswoordje voor jonge meisjes
212 Mós: kool
213 Muuskes: biceps
214 Naeve: naast
215 Nagel: spijker
216 Náks: naakt
217 Neemus: niemand
218 Naovenant: naar verhouding, relatief
219 Neuken: etteren, klieren, vervelend doen
220 Nieje: sterke ontkenning
221 Nölen: zaniken
222 Nondejuuke: vlinderstrikje
223 Noeëj: ongaarne, node
224 Nuëjen: uitnodigen
Oelig: klein
Oeligerd: ondermaats iets
225 Oe~tdoo~n: rooien, uitmesten
226 Olienutje: pinda
227 Ophöffen: optillen
228 Opstoeken: iemand aanzetten tot iets
229 Ozelen: kou lijden
230 Pannestaart: kikkervisje
231 Parsvleis: huidvlees
232 Peg: houten spie, naam van de Gekke Moandaagvereniging
233 Pè~ksôkker: (dropwater van) laurierdrop
Perdsgeschier: Paardentuig
234 Pee~er: regenworm
Peezerik: Plasser van (geslacht)varken (gebruikt om gereedschap in te vetten)
235 Pei~ts: paardenzweepje
236 Petatten: aardappels
237 Pi~n, gérepi~n: gierig persoon
238 Piepwörsjes: kleine worstjes
239 Piers: perzik
240 Pimpy: babykrul
Pimpklökske: Kleinste luidklokje
241 Pindroad: prikkeldraad
242 Pinkes: haarkrullers
243 Pispötjes: bloemen van heggewinde
244 Plak: veld
245 Plakken: opschieten
246 Plaren: klungelen
247 Plats: rond brood
248 Pletske: koekje ;
Pluut, Pluutje: mes, mesje
249 Poekel: rug
250 Poelepetaten: parelhoenders
Poal, Pöl: Paal, palen
Pöliezer: IJzeren paal met spits uiteinde
251 Poem: (dieke) dikke vrouw of meisje
252 Poes: boomstronk
253 Poes-erd: humus, potgrond
Poesiezer: IJzeren paal met uiteinde als van een bijl .
254 Poe~s: bos (haar, gras)
Poeës: dagdeel, algemeen: tijdlang
255 Poet: buit
256 Poetje: paardje
257 Potterskas: spaarkas
258 Prazel: onzin
259 Prazelen: onzin vertellen
260 Preugelen: vechten
261 Proa~s: leunstoel
262 Pruumkes: rozijnen
263 Pruumkes wek: rozijnenbrood
264 Pruusen: Duitsland, Duitsers
265 Puëtje trekken: varken dat geslacht wordt pootje haken
266 Pulf: peluw
267 Puinen: kweekgras
268 Pullen: jonge kippen
269 Ram: helemaal
270 Rats: helemaal
271 Razelen: rillen
272 Remmel: mannelijk konijn
273 Richtig: echt
274 Roakeliezer/rökeliezer: pook
275 Roetsbaan: glijbaan
276 Roetsen: glijden
Rosdook: Onder kar hangend draagdoek
277 Ruiter: Driepotig staketsel om oogst op te drogen
278 Ruzelen: ruien
279 Schalevaeger: schavuit
280 Schans: takkenbos
Schaemel: schamel, armoedig
281 Schietmael: melde
282 Schievelen: platte steen over het water laten stuiteren
283 Schievelstiën: platte steen
284 Schink: ham
285 Schoester: schoenmaker
286 Schókkelen: schudden
287 Scholk: schort
288 Schon (ja schon): jawel
289 Schoop: platte schop
290 Schoor: onweersbui
291 Schoo~w: bang
292 Schop: open schuur
293 Schorseneren: soort groente
294 Schottelslet: vaatdoek
295 Schouw: schoorsteen
296 Schrauwen: huilen
297 Schravelen: kruipen, onhandig lopen.
Schrieëpel; schamel,  fysiek slecht ontwikkeld
Schroeben: Schrobben
Schroebgat: afvoergat voor schrobwater in de buitenmuur
Schroevelen: Heen en weer bewegen (als ’n fietszadel te hoog staat)
298 Schu~pen: schooien, bedelen
299 Schuttelke: bordje
300 Slam: steenkoolslib
301 Slangkómkómmer: komkommer
302 Slet: vaatdoek
303 Slidderen: glijden
304 Slieps: stropdas
305 Sluëp: kram
306 Slup: schoot
Smák ut?: smaakt het?
307 Smekken: smakken onder het eten
308 Smelen: biezen, haren
309 Smè~r: slaag
310 Smiespelen: fluisteren
311 Smik: zweep
312 Smoe~zelen: motregenen
313 Snammel: stukje stof of draad
314 Sneejer: kleermaker
315 Snel, snelped,Snellüeper: autoped
317 Snierken: even snel tussendoor roken?
Snubbeken: uitzoeken, (iets) onderzoeken
318 Snuupke: snoepje
319 Sókkersteel: zuurstok
320 Spajen: spitten
321 Speer (gen): halm, met gen er voor: niets
322 Spegelen: opscheppen, jaloers maken
323 Spejen: spugen, overgeven
324 Sperjes: asperges
325 Spienzen: loeren 326 Spinnejaeger: ragebol
327 Spitsen: verheugen
328 Spoe~s, spoe~skop: krullen, krullenkop, kroeskop
329 Spooien: haasten
330 Sproan: spreeuw
331 Sprung: bron, wel
332 Stalen: lijken
333 Statie: station
334 Steggelen: ruziën
335 Stekbère: kruisbessen
336 Stekreuben: koolrapen
337 Stevels: laarzen
338 Stinkers: Afrikaantjes
339 Stoeben: paardebloemen
340 Stoek, stoekdroad: schok, schrikdraad
341 Stoep: trottoir
Stoeëtschup: Schop met rechthoekig blad om wortels door te steken.
342 Strékel: deugniet
343 Straevelen: discussiëren, ruziën, bekvechten
344 Striekers: lucifers
345 Strietsen: jatten
346 Strontsen: opscheppen . Strontvleeg Madenvlieg
347 Ströb/Strubben: bengels, vervelende jongens
348 Stuuten: prijzen
349 Stuutje: broodje
350 Stuutjes grieëpen: broodjes grijpen, oude Lottumse folklore bij bruiloften
351 Tae~k: tikkertje
352 Tár: teer, bitumen
353 Tas: kop
354 Tattie: vies spul
355 Telder: bord
356 Tes: broekzak
357 Tif: sperma
358 Tisnaas, leknaas: iemand die ‘niks lust’
359 Tod: lap, vod
360 Toe: dicht
361 Toep: top
362 Toepen: kaartspel
363 Tóntelen: met vuur spelen
364 Toeër: ouderwetse vrouwenhoed
365 Toe~t: toeter
366 Toessen / umtoessen: ruilen / omruilen
367 Tricot, triek: trui
368 Tuut: kip
369 Tumelemuutske: koprol
370 Tuur, verturen: pen verplaatsen waaraan koe of geit vast zit
371 Va: vader
372 Vas: alvast
373 Vaeg: ondeugend meisje of vrouw
374 Velling: velg
375 Vè~men: slaan, meppen
Vent: gecastreerde ezel (zoals ruin bij paarden)
376 Verduusseld: bewusteloos
377 Verkèt: vork
378 Verrig: klaar
379 Vès: net, pas geleden
Vet  aan: Bijzonder op elkaar gesteld
380 Viezelen: knoeien
381 Villen: kwellen, pijn doen
382 Vimpen (fimpen?): met vuur spelen
383 Visge~rt: vishengel
384 Vlimmen: kaf
Voeël: lui
Voeliken: luieren
385 Vort: voortaan
386 Vot: kont
387 Vottetes: kontzak
388 Vreejer, Vreejen: vrijer, verkering hebben
389 Vrek, vrech: brutaal
390 Vrommes, vrouwluuj: vrouw, vrouwen
Vur eavevöls: onverschillig
391 Waers: dwars, stijfkoppig
392 Wàh: hè
393 Waltje: tekkel
394 Wap (van de): Wijs (van de)
395 Wazel, wazelen: onzin, onzin vertellen
396 Wek: (tarwe)brood
397 Wè~rd: (uiter)waard, wei aan de Maas
Waersholt: dwarsbalk, om met twee paarden een ploeg o.i.d. te trekken.
Wieë: pijn
398 Wieks: schoensmeer
Wiel, wielke: Wijl, wijltje, tijd, tijdje
399 Wies: tot
400 Wiet: ver
401 Wiets: stok, twijg
402 Wings: scheluw
403 Wroebel: wasbord
404 Wuilus: lobbes
405 Wulleboëne: tuinbonen
407 Zatvrèter; leknaas: iemand die altijd klaagt over het eten
Zauwen: Maken van een (strooien) bijenkorf.
Zeech: zicht
Zeechtewerf: Steel met handgreep van zicht.
Zeeg: mak, ’n zeeg paerd: een mak paard.
408 Zeikkelder: gierkelder
409 Zeikschöpper: gier-emmer
Zeissesnaoj: Steel van zeis
410 Zekdempel: mier
411 Zoebele: sabbelen
412 Zumpen: huilen
413 Zwägel: lucifers
414 Zweel: eelt
415 Zwelf: zwaluw.

4 thoughts on “Op z´n Lottums

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

XHTML: You can use these tags: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>