Over Lottum en Lottummers


Lottummers zijn Peggen.  Die naam hebben ze gekregen omdat hier veel met peggen  gewerkt werd. Het zijn houten pinnetjes waarmee schoenmakers de schoenzolen vastzetten. Ze werden ook gebruikt om de zolen van klompen te verstevigen. Ik las een heel verhaal over een man die dit in W.O. II deed in St.-Oedenrode. Je kunt het vinden op http://www.fotorooi.nl

Van bijzondere Lottummers wil ik wel wat vertellen. De meesten zijn overleden, het voordeel is dat ze de verhalen die over hen de rondte doen, niet kunnen weerleggen.
Hoete Jeu | wratten weg halen| Gerard (Sir) Thielen| Klompen Dris (Dris Lenssen)| Jan Hoeijmakers (Hoete Jan) | Mears Trienke | familie Coenders | de Ekster | Strijbosch (Opperdonk) | Vic Keltjens| Seuren Naad| tweede wereldoorlog 

 


Flisse Sjang (Sjang van Dijk) werd zo genoemd  naar de buurt waar hij geboren is, het Flis. Dat is een stukje van de  Hombergerweg ter hoogte van het wegkruis. Hij was de eigenaar van café-zaal de Harmonie in de Hoofdstraat. Zijn broer Frans was de eigenaar van café d’n Hook tegenover het postkantoor, de huidige bloemenzaak Rosa. Er zullen  zeker nog meer broers en zussen geweest maar die heb ik niet gekend.
Zoals toentertijd gebruikelijk, werd bij de bouw een drietal lindebomen voor het huis geplant, dat gaf gratis schaduw voor de mensen die  ’s zomers buiten gingen zitten. Toen het gesprek eens ging over het dure leven met een groot gezin zei Sjang: “De hypotheek groeit harder dan de lindebomen”
Een paar deuren dichter bij de Markt woonde Scheer Piet (Piet  Clemens) . Daar gingen veel mensen zich ’s zaterdags laten scheren. Dat was een goede gelegenheid om het plaatselijke nieuws te bespreken. Wien Vermazeren had een spannend verhaal over het zetten van de kachel. Die werd tegen Pasen op de zolder gezet en met de jaarmarkt terug geplaatst in de kamer. Van te voren moest gecontroleerd worden of de schoorsteen nog open was, anders had je de hele winter last van rook in de kamer. “Bij ons was de trek geweldig”,  zei Vermazeren. ” Ik  stopte een krant in het schouwgat,  hield er een lucifer aan en zoef vloog hij brandend hoog boven de schoorsteen uit.”   “Dat is  niks,” zei Flisse Sjang, “bij ons trekt de schouw zo hard,  “aling puus (hele boomstronken), boem de Knienskamp op.”
Tinus van Soest had zitten opsnijden dat hij het erg druk had en veel verdiende met huisslachtingen. In die tijd had bijna ieder gezin een of twee varkens die vetgemest werden en aan huis werden geslacht als ze vet genoeg waren.  Dan was er weer voor een hele poos vlees in huis. “Zeg Tinus”, zei Sjang , “kun je bij ons ook een varken komen slachten? en wat kost dat dan?”.   “Ja,  dat is goed”, zei Tinus en er werd ’n dag en de prijs afgesproken.  Die bewuste dag klopte Tinus ’s morgens vroeg op het slaapkamerraam want hij zag wel dat er niemand op was en riep “heb je het water nog niet aan de kook?” Sjang vanuit het bed “heb je ’t varken bij je?” Dat had Tinus dus  niet en hij kon onverrichter zake naar huis.

Als op woensdagmiddag de heer Felten binnenkwam om met de opleiding van de leerlingen van de Harmonie te beginnen bestelde hij meestal ’n jonge klare. Op ’n goede dag moest Sjang ’n nieuw fles jenever openen. Voor het inschenken had hij een speciale kurk met ’n schenktuit.  Die zat blijkbaar verstopt want er kwam niets uit. Sjang  trok de kurk uit de fles, stak hem in zijn mond en begon te blazen.  “Hé van Dijk”, riep Felten, “doe me vandaag maar ’n kop koffie.”

 

 


Hoete Jeu ( Mathieu Hoeijmakers ) was in mijn herinnering iets jonger dan mijn vader. Hij had een bijzondere gave: hij kon wratten weghalen en pijn weg-bidden. Er werd door veel mensen een beroep op hem gedaan.
Zelf heb ik er ongevraagd hulp van gehad. In mijn militaire diensttijd bij de onderofficiersopleiding in Weert kreeg ik net voor Pasen last van keelpijn (ontstoken amandelen). Uiteraard niks verteld daar want dan mocht je niet op verlof. Tijdens de paasdagen kreeg ik hoge koorts en pijn in mijn knieën en handen. De huisdokter zei dat ik gewrichtsontsteking had, volgens hem polyartritis, op zijn Lottums vliegende gicht. Als medicijn kreeg ik acetylsalicylzuur, oftewel asperine. Dat heeft wekenlang geduurd. De koorts zakte wat, de pijn werd er dragelijk door maar genezing was er niet. Op een goede dag was mijn broer Jan samen met Hoete Jeu in de hei het aantal bomen aan het tellen van een dennenbos dat gekapt ging worden. Onder de koffiepauze vertelde Jan dat ik al lang ziek lag met veel pijn en koorts. Had dat maar eerder verteld zei Jeu. Hij zette zijn pet af, ging op een knie zitten en fluisterde een gebedje. Toen Jan ’s avonds thuis kwam vroeg hij hoe ik me voelde. Ik zei goed, ik heb nu geen pijn. En de koorts was weg. In die tijd was ik zo’n 30 kilo afgevallen. Een paar weken later gaf de huisdokter toestemming voor vervoer en werd ik naar het militair hospitaal “Oog in Al” in Utrecht gebracht. De dokters daar konden niet begrijpen dat ik geen pijn had. Ik heb het proberen uit te leggen maar ik geloof niet dat ze het begrepen hebben.
Jeu heeft zijn gave doorgegeven aan zijn neef Toon. Die was er helemaal niet blij mee. Hij vond het erg vervelend om met de problemen van anderen te worden geconfronteerd. Hij is plotseling overleden, jong nog, hij heeft de gave aan niemand doorgegeven.


Wratten weg halen konden wel meer mensen; Schilder (Klompen) Dris Lenssen en zijn broer (Klompen) Hand Lenssen en Frans (de witte van) Keiren (van de café) heb ik vaker horen noemen. Er waren verschillende methodes; de een streek er over met een doorgesneden aardappel en ander met een strostengel die hij had ingekeept, weer een ander kocht ze van je af, dan kreeg je en halve cent of zo.


Veel van de verhalen die hier staan over andere Lottummers heb ik van Hoete Jan (Jan hoeijmakers) gehoord. Eem gezegde van hem zelf was: “As enne mins ni hol waas en ni naks zuj dat ennen hoeëp schillen in de köste”

Over Gerard (Sir) Thielen:  Mijn  zwager, Bèr Achten, werkte daar tot zijn trouwen met mijn zus Mien als knecht, van hem heb ik veel over hem gehoord.  Toen Sir jong was en verliefd en wilde gaan trouwen,  vond zijn aanstaande schoonvader Hendrix (van Genaos, geen familie van ons) dat zijn dochter daar nog veel te jong voor was. Hij zei: “kom maar eens terug als ze wat ouder is”. Zei Sir:  “Bij mij kan ze ook ouder worden”  en de trouwerij ging door. Hij was smid en boomkweker,  in Lottum noemden ze hem wel de boompjessmid.  Hij teelde ook asperges en aspergeplanten. Tenminste twee van zijn zoons hebben zijn technische genen  geërfd en machinefabriek Thilot opgericht, nu een gerenommeerde fabriek van werktuigen o.a. voor de champignonteelt.
Toen de rozenteelt opkwam was hij ook van de partij. Net als alle kwekers moest hij wilde onderstammen inkopen; die werden geplant om geoculeerd te worden. Er kwamen in het vroege voorjaar verkopers langs.  Een van die mannen had een mooi aanbod, hoe meer stuks je kocht, hoe lager de prijs werd. Vroeg Sir: “en hoeveel moet ik er kopen om ze voor niks te krijgen?”

Mijn oom Sjang Verheijen maakte in de werkplaats van Sir Thielen de houten delen voor de werktuigen die Sir maakte,  zoals maispoters en handzaaimachines. Hij mocht Sirs machines ook voor eigen werk gebruiken als dat zo van pas kwam.  Thielen kwam op een gegeven moment de werkplaats binnen rennen en kroop in ’n grote kist die daar stond. Hij werd blijkbaar van smokkelarij verdacht want douaniers kwamen achter hem aan. Oom Sjang legde het deksel op de kist en ging er op zitten.  “Waar is Thielen ?” riepen ze. “Dat zuj ik oow neet kunnen zeggen” zei Sjang en de ambtenaren vertrokken.  Later zei Sjang: “dat koos ik toch ni zeggen wao Sir beej waas”

Sir heeft eens aan schilder Dris Lenssen (Klompen Dris) gevraagd of hij de knop van zijn vlaggenstok met bladgoud kon bekleden. “Dat kan wel”, zei Dris, “maar dat is duur en waarom zou je dat doen?” Zei Sir:  “Ik wil die kunnen zien blinken als ik ’s zondagsmorgens na de Hoogmis uit de kerk naar buiten kom.”

Uitspraken van Lottumse mensen.

Siebers Sjeng  (Sjeng Vervoort) heeft eens tegen me gezegd: “enne verstendige mins mot aaf en toe verzichtig aan zich zelf dörven te twiefelen” Hij probeerde te bemiddelen tussen de Pastoor en het kerkkoor.  In die tijd gingen we op zondag naar de vroegmis, de hoogmis en het lof. Het was meestal druk, volle kerkbanken. De koorleden gingen altijd op het oksaal zitten, bij het orgel. Pastoor van Wijngaarden -opvolger van Kerbosch- liet de torendeur afsluiten als er niet gezongen hoefde te worden. Toen gingen de koorleden ook niet meer naar boven als de deur wel open was, we staakten. Koster/organist Heuvelmans zat er dan in zijn eentje. Sjeng zal die wijsheid ook wel bij de pastoor hebben verkondigd want die heeft na maanden de deur weer open laten maken. Er is wel een kerstviering zonder zang aan voorafgegaan.

Op donderdag 18 mei 2017 is onze buurvrouw Els Vermazeren – Daniëls begraven.  Dan zie je weer eens mensen die je niet vaak tegenkomt, bijvoorbeeld van de kant van de moeder van Els,  de familie Seuren.  De rozenkwekers Seuren?  Nee, die van Houthuizen,  Seuren Naad. Die had een kolenhandel en werkte veel in de dennenbossen waar gekapt werd voor mijnhout.  Bij het toepen na de ’s zondagse hoogmis had hij een hooglopende woordenwisseling met Sjeng Hovens, een tuinder uit Venlo die zich in Houthuizen gevestigd had.  Hovens maakte zich zo kwaad dat hij tegen Seuren zei: “Ik heb de letste briket van dich gekoch” Zei Naad Seuren: “En kaolen da?”
Sommigen herinnerden zich de schoonvader van Els nog, Winand (Wientje) Vermazeren.  Deze man kon zo goed spannende verhalen vertellen dat hij later zelf geloofde dat ze waar gebeurd waren. Tijdens de mobilisatie in de 1e wereldoorlog was hij kok geweest. Hij vertelde dat koningin Wilhelmina op bezoek kwam in de veldkeuken. Ze zei: “Wat schaft de pot Vermazeren?” Ik zei: “Bruine bonen met spek koningin”  Ze wilde het deksel optillen maar ik tikte haar op de vingers.  Ik zei: “Vingers uit de pot!!”
Nederland was neutraal, maar hij had wel met zijn geweer een Duits vliegtuig neergeschoten toen dat over Nederlands gebied vloog. Hoe dat kon vertelde hij er bij:  “ik rákte ma ’n klein redje ma dat waas net genôg”
Bij het werk in het veld gebeurde ook wel eens wat. “Toen ik in t veld m’n jas uittrok en op de grond gooide ging die er tussen uit. Er zat een haas onder, die was rustig blijven zitten toen ik er een kar bieten opkiepte”.
Een paard kon zo maar de kolder in de kop krijgen. Dan was er geen houden aan.  Het gebeurde hem toen hij aan het cultivatoren was.
” Neet te hálde, ’t rende mit de cultivater achter zich aan dwaers dor enne kaorenmiet”

Van Vic Keltjens heb ik vaak rake opmerkingen gehoord, vooral in de pauze van de Harmonierepetities. Daar werd het lokale en het landelijke nieuws bijgepraat.  Stoppen met roken was vaak onderwerp van gesprek. Het werd de meeste mensen wel duidelijk dat het je gezondheid benadeelde maar het was moeilijk om er mee op te houden. Zei Vic Keltjens eens:   Ik snap niet dat mensen zo’n heibel maken over ophouden  roken. Dat stelt niks voor, ik heb het al zó vaak gedaan”.
Hij vroeg me eens: “Hou je van honing?”.  Ik zei ja. Zegt hij:  “Dan zet ik je op de wachtlijst, ik heb vanmorgen ’n bij gevangen”
Op de begrafenis van Els Vermazeren sprak ik hem nog. Hij is weduwnaar van haar zus Marta Daniëls. Alles  goed? Och ja, alleen als je ouder wordt gaan veel dingen wat slechter. Alleen vergeten, dat gaat steeds beter.


In Lottum leefde ooit een alleenstaande vrouw, weduwe of vrijgezel, dat weet ik niet. Ik heb haar niet gekend. Ik weet ook niet hoe ze heette, maar met de naam Mears Trienke is ze de geschiedenis ingegaan. Ze had een winkeltje waar je van alles en nog wat kon kopen. Ze verkocht de pruimtabak goedkoper dan haar eigen inkoopprijs. Toen iemand zei dat ze daar niks aan kon verdienen, zei ze: “Jaowaal, dôr de mennigt toch wal”. Zou er toen al een omzetbonus zijn geweest?? Ze verkocht ook gedroogde vijgen uit een van stro gevlochten zak. Als iemand er wilde hebben dan moest eerst de kat weggejaagd worden, die zat daar altijd bovenop. Ze had ook een geit. Ze heeft eens gezegd: “Als ik geen puinen (kweekgras) in de tuin had wist ik niet wat ik de geit moest voeren.”

Een familie Coenders  (Clever) was bekend om hun krasse uitspraken.
Leen woonde met haar broer aan de Broekhuizerweg even voor de plek waar nu de rozenboog is, schuin tegenover van den Brandt. Op een dag kwam ze bij van den Brandt binnen “Nou ben ik toch de huissleutel kwijt, ik kan niet eens meer binnen, wat moet ik  toch aanvangen?” zei ze. “Wel”, zei moeder van den Brandt, “bid maar tot de heilige Anthonius, dan vind je hem wel”. Een tijdje later zag ze Leen een raam open maken en riep: “Heb je hem gevonden?” Riep Leen terug: “Als je ze maar geld beloofd, dan helpen die smeerlappen je wel”.

In de eerste wereldoorlog werd er veel gesmokkeld naar Duitsland. Leens broer, ik geloof dat hij Gradus heette, men noemde hem “de Guut” (guit), schijnt daar ook mee bezig te zijn geweest. Er werd in ieder geval veel over gepraat in het dorp. Ook de douanemannen hadden dat gehoord. Ze kwamen aan de deur en vroegen Leen of haar broer thuis was. Nee, die is er niet. “Smokkelt hij nog veel?” vroeg de douanier. “O ja,” zei Leen, “vorige week heeft hij nog een kerktoren over de grens gesleept”.

Het huis waar ze in woonden was oud en klein. Het moet zijn gebeurd dat bij een storm een gevel is omgevallen of ingestort. Een kast met drie heiligenbeelden stond ineens in de open lucht. “Wat erg wa” zei de buurvrouw. “Joa,” zei Leen, “het is me wat, kunnen ze met drie man sterk zo’n klootgeveltje nog niet tegenhouden”.

Het volgende heb ik zelf meegemaakt. Na de bevrijding in november ’45 werden we eerst naar Melderslo geëvacueerd. Na een paar maanden moesten we daar ook weg. Eerst met legertrucks naar Eindhoven, waar we werden ondergebracht in een douaneloods van Philips. Daar werden we met DDT-poeder bevrijd van luizen en vlooien en de volgende dag op de trein gezet richting België. Eerst reed de trein tot de plaats Ath aan de Franse grens. Omdat niemand zich daar verstaanbaar kon maken kreeg men het idee dat we naar Vlaams gebied moesten. Maar het was al zo laat dat we een nacht moesten overblijven. In een leegstaande school waren matrassen en dekens neergelegd en daar moesten we ons installeren. Leen Coenders lag als eerste in de rij, naast de deur, dan kwam ik, onze Jan en onze ouders. We waren allemaal moe van het gesjouw en gingen vroeg slapen. Opeens gaat de deur open, een man maakt het licht aan, kijkt rond, mompelt wat, licht uit, deur dicht. Eventjes later -ik sliep nog maar net- herhaalt zich dat. Nog een poos later, gaat weer die deur open en het licht aan. Zegt Leen: “Als je weer komt kijken hoop ik dat je een dag ouder bent.” Hij zal het niet verstaan hebben maar hij is ook niet meer terug gekomen.


Een broer van Leen, Sjang, was getrouwd en woonde in Broekhuizen. Hij was dakdekker van beroep. Men noemde hem “de Ekster”, waarschijnlijk omdat hij altijd op het dak zat en zich liet horen. Zijn enige dochter is getrouwd met mijn schoolkameraad Sjaak Gooren.
Van de Ekster doen ook meerdere verhalen de rondte. Hij moet als jongeman eens naar het klooster van Klein Vink in Arcen zijn wezen vragen of ze geen werk voor hem hadden. Zei die pater/broeder die een zeug met een toom biggen aan het voeren was: “Nein, wir machen alles selbst.” Zei de Ekster, wijzend op de biggen: “Heb je die zeker ook zelf gemaakt”.

Toen hij bij Strijbosch (Opperdonk) op het dak bezig was roept An naar boven: “kom je dadelijk ook een kop koffie drinken E… Sjang?” zegt Sjang: “Zeg maar Ekster, dat wilde je toch zeggen”.

De pastoor sprak de Ekster aan: “Je moet eens wat beter op tijd in kerk zijn ’s zondags, je bent altijd te laat.” Zei de Ekster: “Ik ben nog maar één keer te laat geweest, toen kwamen de mensen net naar buiten”.

Voor Pasen ging iedereen te biecht. Toen de Ekster de lange rij wachtenden voor de biechtstoel van de speciale Pater zag, dacht hij, dat gaat nog wel een half uurtje duren. Ik ga in de tussentijd een borreltje drinken. Toen hij terug kwam was hij zo aan de beurt. De pater schoof het gordijntje weg en zei: “je stinkt naar jenever man!” Zei de Ekster: “En jij naar zweetvoeten.” Hij draaide zich om zonder op de absolutie te wachten.

De broers de Guut en de Ekster zaten in het café tegen mekaar op te snijden over vissen en jagen. Vertelde de Guut: “Ik zat in mijn boot op de Maas en kreeg een paling aan de lijn. Ik weet niet hoe lang hij was want ik ben een hele tijd bezig geweest om hem hand over hand binnen te halen maar op een gegeven moment moest ik hem doorsnijden, anders was ik gezonken.”
“Dat is nog niks”, zei de Ekster, “ik zat vorige week te vissen in het Schuitwater en wat denk je dat ik aan de lijn had? Een Duitse onderzeeër uit de oorlog. Hij had de koplampen nog aan.”

Sjang was de pannen aan het leggen op een nieuw huis aan de Horsterdijk. Kwam Piet Spreeuwenberg langs met paard en kar, hij riep: “Hé Sjang, die pannen liggen niet goed ze liggen allemaal scheef.” Roept Sjang terug: “Dan moeten ze toch wel erg scheef liggen, als zelfs een boer dat kan zien.”

In de jaren na de bevrijding was praktisch alles “op de bon”. De Nederlandse regering had het Duitse distributiesysteem overgenomen. Voor dagelijkse levensbehoeften kreeg iedereen een vast aantal bonnen. Andere dingen moest je aanvragen. Leen had schoenen aangevraagd en kreeg bezoek van een controleur. Die moest kijken of dat echt nodig was. Leen zat buiten op de bank aardappelen te schillen toen de man kwam. Hij zette zijn fiets tegen de put, keek er in en zei: “Wat een diepe put mevrouw” Zei Leen “Val er maar niet in met je stekreubenkop, dan lust ik nog geen water meer”. De aanvraag voor schoenen is afgewezen.

Leen had een nieuwe plasplot nodig. Ze ging naar de Coöperatie en vroeg aan winkeljuffrouw Marie Cruysberg of ze die zonder bon kon kopen. “Ja dan kan,” zei Marie, “hoe groot moet ie zijn?” Zei Leen: “doe er maar een van een zeiksel of zes, zeven.”
Leen kreeg kapelaan De Lepper op huisbezoek, hij had haar al een hele poos gemist in de kerk. Ze zei dat ze niet meer naar de kerk kon komen vanwege de pijn door de reumatiek. Zo ver lopen gaat moeilijk en knielen gaat al helemaal niet meer. Maar ik luister wel iedere zondagmorgen naar de mis op de radio. Zegt de kapelaan: “Maar daarmee voldoet u niet aan het verplichte kerkbezoek” Zegt Leen: “Nee dat zal wel, zolang ze de klingelbuul niet door de radio naar binnen kunnen steken.”


Ook over de tweede wereldoorlog zijn Lottumse verhalen te vertellen.
In de laatste oorlogsjaren hielden de Duitsers razzia’s om mannen op te pakken en te verplichten om in Duitsland te gaan werken. Dat kon in fabrieken of op boerderijen zijn. Die laatsten kregen vaak beter te eten dan de fabrieksarbeiders, die werden meestal gezamenlijk gehuisvest en kregen weinig te eten en moesten lang en hard werken.
De meeste mannen hadden schrik om opgepakt te worden. Er was een waarschuwingssysteem: Als de wieken van de Houthuizer molen in een bepaalde stand waren vastgezet was er een razzia aan de gang. Veel mensen hadden een schuilplek in of om het huis.

schuilplaat in 1944

langs het pad bij het Broekhuizer schuitwater verwijst dit bord naar de schuilplaats

Een groep mannen uit Broekhuizen hebben in een bos langs het Schuitwater een schuilkelder gegraven. Een gat van zo’n 2 meter breed en 4 meter lang, afgedekt met boomstammen en takken en plaggen. Die hebben er geen gebruik van kunnen maken want ze zijn opgepakt. Er hebben zich wel een aantal Lottumse mannen ’n paar weken schuil gehouden.

Ik was te jong (14) en mijn vader was te oud (60) om opgepakt te worden, maar mijn broers Jan en Sjaak hoorden tot de categorie waar jacht op werd gemaakt. Ze hebben een gat gegraven naast en onder het kippenhok, dat had een betonbodem, dat zakte niet in. Maar op een gegeven moment werden overal, ook bij ons, soldaten ingekwartierd en zijn ze gaan wonen bij zus Mien, die woonde met haar man Bér Achten in het ‘hei’-huis, dat ligt ’n halve km ten zuiden van de Horsterdijk. Dat lag verscholen, er kwamen normaal geen militairen. Ze hadden toch een schuilplek gemaakt: In de schuur had Bér met latten en stro een hok afgescheiden voor wat kippen. Ze maakten er een extra strooien wand in, zo hadden ze onopvallende ruimte van ’n meter breed en 3 meter lang. Tegen de buitenwand van ’t hok stonden enkele zakken aardappelen. Op ’n dag kwam neef Thei Hendrix (van tante Katrien) binnenlopen “kan ik me hier verstoppen? er is een razzia aan de gang.” Dus met z’n vieren in het kippenhok-gangetje. De Duitsers kwamen “Wo sind die Männer” onze Mien: “die zien weggerend” de Duitsers: “Sie haben sich versteckt” Ze zochten het hele huis af, van de kelder tot de zolder, op de hooizolder staken ze met rieken in het hooi maar vonden niets. De 4 mannen in het gangetje merkten dat een van de Duitsers op een zak aardappelen ging zitten en hielden hun adem in. Toen het stil bleef dachten ze dat hij weg was. Maar ineens liet hij stevige scheet en hielden ze zich weer bevroren. Hoe lang ze zo hebben gezeten met maar 5 cm stro tussen hen en de Duitser in weet ik niet maar het was veel te lang zeiden ze later.

Een grappig verhaal uit die tijd heb ik ooit gehoord over Toon en Coen van Lipzig. Toen we eind november 1944 bevrijd werden door de Engelsen moet de opa (Toon) op ’n keer geklaagd hebben dat zijn gehoor slechter werd. “ik hoor de laatste tijd zo slecht, ik versta die soldaten nog niet half”. Ze noemden die familie Boeënenkamp omdat ze daar vroeger café hadden die was genoemd naar een sterke drank, een bitter “Bonenkamp”. Er was in hun huis nog van vroeger een beugelbaan. In de razziatijd hadden ze die met planken afgedekt waardoor er een ruimte van zo’n 80 cm hoog ontstond. Mannen die gevaar liepen om te worden opgepakt verstopten zich dan in die ruimte. Niet iedereen had die mogelijkheid, daardoor kwamen er meerderen op af.

De buurman Frans van der Zanden (van Pruusse Kueëb) en een pater die op preektocht in Lottum vastgelopen was en nog een paar onderduikers schoven ook bij Coen van Lipzig in de ruimte. Het was behelpen; er was geen toilet, wie moest plassen kreeg een groot blik aangereikt. Op een koude dag vroeg de preekpater met hoge nood aan van der Zanden: “Frans, help me even, ik kan hem er niet uit, ik heb wel vier gulpen” Hij had blijkbaar alle kleren aangetrokken die er voorhanden waren. Frans hielp, maar het klaterde nogal in het blik toen hij zover was. Omdat Coen bang was dat dit door de speurende Duitsers gehoord zou worden zei hij: “Maak niet zo’n herrie man, hou ‘m onder”.

Toen we bevrijd waren had de oude Toon van Lipzig problemen met de Tommies. Hij zei: “Ik hoor de laatste tijd zo slecht, ik versta nog niet half wat die soldaten zeggen”.

Coen van Lipzig heeft na de bevrijding ongewild een ernstig ongeval veroorzaakt. De Duitsers hadden de hoge bomen langs de Horsterdijk ter hoogte van de Steegh en Roeibeek met springstof op de weg laten vallen ter blokkering van de bevrijders. Op het veld naast de weg hadden ze tankmijnen gelegd.  Bij de bevrijding zijn daar geen slachtoffers gevallen, volgens mijn herinnering hebben de Tommies die boomstammen heel snel geruimd. Later zijn de mijnen opgespoord, ik weet nog dat ze op het veld op de hoek Horsterdijk / Steegh lagen tegenover het huis van Jeu Vergeldt. Coen van Lipzig heeft er achteraf met ploegen nog eentje gevonden en die netjes er bij gelegd. Een hele poos later werden die met een vrachtwagen door de opruimingsdienst opgehaald. Een man laadde de mijnen op ’n vrachtwagen waar al de nodige munitie op lag en alles ging goed tot hij die ene mijn er op gooide die Coen er bij had gelegd.  Die was namelijk niet onschadelijk gemaakt en de hele zaak ging de lucht in. Een tweede man was juist achterom gelopen bij Jeu Vergeldt en zag het praktisch gebeuren; de man bij de vrachtwagen dood, de vrachtwagen vernield, het huis van Vergeldt zwaar beschadigd.

 

2 thoughts on “Over Lottum en Lottummers

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

XHTML: You can use these tags: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>